Vragen aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking over AIDS-bestedingen
14/07/2005
Vragen van de leden Van der Laan (D66), Karimi (GroenLinks) en Samsom (PvdA) aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking over AIDS-bestedingen. (Ingezonden 14 juli 2005) 1 In hoeverre is de motie Koenders/Terpstra,1 waarin gevraagd wordt om, een verdubbeling van de Nederlandse Official Development Aid (ODA)-uitgaven ten behoeve van de HIV/Aids-bestrijding, tot op heden ten uitvoer ge ...
Vragen van de leden Van der Laan (D66), Karimi (GroenLinks) en Samsom (PvdA) aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking over AIDS-bestedingen. (Ingezonden 14 juli 2005)
1 In hoeverre is de motie Koenders/Terpstra,1 waarin gevraagd wordt om, een verdubbeling van de Nederlandse Official Development Aid (ODA)-uitgaven ten behoeve van de HIV/Aids-bestrijding, tot op heden ten uitvoer gebracht?
2 Wijkt de door de Nederlandse regering gehanteerde rekenmethode ter bepaling van de gelden die de Nederlandse regering aan AIDS-bestrijding worden besteed, af van de rekenmethode van UNAIDS?
3 Bent u bereid de rekenmethode van UNAIDS over te nemen? Zo ja, bent u dan bereid deze rekenmethode reeds bij de eerstvolgende begroting te implementeren? Zo neen, waarom niet?
4 Welk deel van het bedrag van € 58.538.000,00 dat aan de United Nations Population Fund (UNFPA) is bijgedragen, wordt door dit fonds ook daadwerkelijk aan AIDS-bestrijding gespendeerd?2 Kunt u de Kamer een overzicht van deze bestedingen geven?
5 Heeft u kennisgenomen van de aan u gerichte brief van Stop Aids Now, d.d. 14 juni 2005 betreffende de Nederlandse bijdrage aan het Global Fund to Fight AIDS, Tuberculosis and Malaria (GFATM)? Zo ja, wat is uw reactie op het feit dat het GFATM zich met een substantieel tekort in zijn begroting voor het jaar 2005 geconfronteerd ziet?
6 Bent u bereid substantieel bij te dragen aan het dichten van het begrotingstekort van 700 miljoen USD, waarmee het GFATM in het lopende jaar 2005 wordt geconfronteerd? Zo ja, met welk bedrag? Zo neen, waarom niet? Bent u bereid andere deelnemende landen in dit fonds aan te sporen het gat in de begroting te helpen dichten? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?
7 Is de € 40.100.000,00 die de Nederlandse ambassades ontvangen voor AIDS-bestrijding additioneel, of is het de bedoeling dat een deel van het budget dat is bestemd voor de ambassades nu moet worden uitgegeven aan de bestrijding van AIDS? In hoeverre is dit geld (ook) bedoeld voor projecten voor ambassadepersoneel?
8 Welk deel van de bijdragen aan de World Health Organization (WHO), inclusief het Partnership Programma, wordt daadwerkelijk aan AIDS-bestrijding uitgegeven? Kunt u de Kamer een overzicht van deze bestedingen geven?
9 Kan de Nederlandse regering meer doen op het gebied van «harm reduction», dat momenteel onder vuur ligt van Amerikaanse kant, maar cruciaal is voor een effectieve bestrijding van AIDS? Zo ja, wat? Zo nee, waarom niet?
10 In hoeverre heeft het Nederlandse bilaterale beleid bijdragen aan de G8-streefdoelstelling van «Universal Access to Treatment by 2010»? En met betrekking tot vaccinaties?
11 In hoeverre is het AIDS-beleid afgestemd op het feit dat de HIV/AIDS-epidemie momenteel het snelst groeit in onder meer Rusland, China, India en Centraal Azië?
12 Kunt u de Kamer een gedetailleerd overzicht geven van de uitgaven aan AIDS-bestrijding in 2003, 2004 en 2005, hierbij gebruikmakend van de rekensystematiek die in 2003 werd toegepast?
1 Kamerstuk 28 600 V, nr. 25. 2 Kamerstuk 30 105 V, nr. 4, antwoorden op de vragen 11 en 13.
Antwoord
Antwoord van minister Van Ardenne-van der Hoeven (Ontwikkelingssamenwerking). (Ontvangen 19 augustus 2005)
1 en 12 De verdubbeling van de uitgaven voor HIV/Aids, TB en Malaria van € 135 mln. in 2002 naar € 270 mln. uiterlijk 2007 ligt goed op schema. Vanwege de vrijvallende EKI-middelen is in 2004 aanzienlijk meer uitgegeven aan de bestrijding van HIV/Aids, TB en Malaria dan begroot, o.a. via enkele PPP’s, het Commodities Fund van UNFPA, onze ambassades, en een bijdrage aan de Roll Back Malaria campagne voor het verstrekken van bednetten. Deze intensivering wordt de komende
jaren voortgezet, vooral via bilaterale programma’s, extra uitgaven aan UNAIDS en enkele Publieke-Private Partnerschappen. In het HGIS-jaarverslag 2004 wordt gerapporteerd over de voortgang van deze verdubbeling. In 2004 is hiervoor € 313 mln. uitgegeven. Dit zal in de komende jaren verder oplopen tot € 336,2 mln. in 2005, € 346,3 mln. in 2006 en € 362,7 mln. in 2007 waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de beoogde verdubbeling in de Motie Koenders/Terpstra. Dit is gebaseerd op een nieuwe rekensystematiek die mede op basis van het nieuwe informatiesysteem Piramide consistenter en vollediger is dan de oude systematiek waarop de verdubbeling is gebaseerd. In bijlage 11 wordt een overzicht gegeven van de (geplande) uitgaven aan de bestrijding van HIV/Aids, TB en Malaria van 2003–2007, waarbij zowel de oude als de nieuwe rekensystematiek is gebruikt. Hieruit blijkt dat de verdubbeling van de uitgaven voor HIV/Aids, TB en Malaria ook goed op schema ligt wanneer gebruik wordt gemaakt van de oude rekensystematiek. Het verschil tussen de oude en nieuwe systematiek is vooral gelegen in additionele toerekeningen van indirecte bilaterale uitgaven aan de bestrijding van HIV/Aids, TB en Malaria, en enkele additionele toerekeningen van multilaterale en particuliere uitgaven. Tevens is de omvang van de toerekening aan bepaalde organisaties herbezien.
2 Ja, de rekenmethode van UNAIDS ter bepaling van de uitgaven die bilaterale donoren uitgeven aan de bestrijding van HIV/Aids verschilt van de door de Nederlandse regering gehanteerde rekenmethode.
3 Nee, de rekenmethode van UNAIDS geeft een te beperkt beeld van de Nederlandse inspanningen. De berekening van UNAIDS gaat uit van Nederlandse uitgaven die direct samenhangen met HIV/Aids-bestrijding. In de praktijk komt dit neer op een beperking tot alle uitgaven onder de betreffende CRS-code «13040 STD Control including HIV/Aids» (de codering die wordt gehanteerd door de OESO/DAC) plus 60% van de bijdrage aan het Global Fund to fight Aids, TB and Malaria en de gehele bijdrage aan UNAIDS. Op basis van de rekenmethode van UNAIDS werd ca. US$ 38 mln. in 2002, € 91,8 mln. in 2003 en € 96,6 mln. in 2004 uitgegeven door Nederland aan de bestrijding van HIV/Aids. Nederlandse bijdragen aan multilaterale organisaties (zoals UNICEF, WHO, UNFPA, IDA en EDF) en maatschappelijke organisaties (zoals MFO’s en TMF-organisaties), waarmee ook uitgaven op het gebied van HIV/Aids, TB en Malaria worden verricht, worden niet meegenomen in de berekening van UNAIDS. In de Nederlandse rapportage wordt een toerekeningspercentage per multilaterale en maatschappelijke organisatie gehanteerd dat is gebaseerd op het percentage dat deze organisatie uitgeeft aan de bestrijding van HIV/Aids, TB en Malaria. Bijvoorbeeld 5% van de uitgaven van de Internationale Financiële Instellingen wordt toegerekend aan deze doelstelling. UNAIDS rekent ook enkele cruciale activiteiten die voorwaardenscheppend zijn niet mee voor haar rapportage die in de Nederlandse visie van essentieel belang zijn voor succesvolle bestrijding van HIV/Aids. Voorbeelden zijn de ondersteuning van de basisgezondheidssector en de beschikbaarheid van o.a. voorbehoedsmiddelen (commodity security), maar ook uitgaven in andere sectoren (zoals bv onderwijs) aan de bestrijding HIV/Aids. Bovendien dient aangetekend te worden dat de Nederlandse cijfers ook de uitgaven ten behoeve van tuberculose en malaria omvatten conform de uitvoering van de motie Koenders/Terpstra. Deze uitgaven liggen rond de EUR 40 miljoen per jaar. Overigens vinden internationaal ook discussies plaats over de wijze van rapporteren van de uitgaven aan HIV/AIDS. UNAIDS is zich bijvoorbeeld zeer bewust van de discrepanties tussen haar rapportage en de rapportages van de verschillende donoren, onder andere vanwege multilaterale uitgaven die UNAIDS separaat rapporteert in plaats van als onderdeel van de uitgaven van een bilaterale donor. In de OESO/DAC hebben donoren mede door actieve Nederlandse inzet onlangs besloten tot het uitbreiden van de definitie van de bovengenoemde CRS-code 13040 en het invoeren van additionele HIV/Aids gerelateerde CRS-codes die ook de codering van niet-medische aspecten van de bestrijding van HIV/Aids mogelijk maakt. Hierdoor zullen in de toekomst meer door Nederland gefinancierde activiteiten via de UNAIDS-rapportagesystematiek meegenomen worden. Er zullen echter, vanwege de verschillen in methodiek, aanzienlijke verschillen blijven bestaan.
4 Volgens een inschatting van UNFPA over 2003, wordt 66% van het core budget van UNFPA besteed aan HIV/Aids en reproductieve gezondheid. De Nederlandse bijdrage van € 58,5 mln. is een algemene bijdrage aan dit core budget en derhalve kan worden gesteld dat 66% van de algemene Nederlandse vrijwillige bijdrage aan UNFPA wordt besteed aan HIV/Aids en reproductieve gezondheid. Nee, ik kan u geen overzicht van de bestedingen geven aangezien het een algemene vrijwillige bijdrage aan UNFPA betreft.
5 en 6 Ik heb kennisgenomen van de brief maar meen dat Nederland reeds een aanzienlijke bijdrage levert aan het GFATM. Nederland streeft ook bij het Global Fund naar lastenverdeling en ik hoop dat andere landen die tot dusver een minder genereuze bijdrage hebben geleverd hun bijdrage zullen verhogen. Ik heb goede hoop dat na de ministeriële bijeenkomst begin september te Londen het tekort van het Global Fund aanzienlijk zal zijn teruggebracht.
7 Deze geraamde uitgaven door de Nederlandse ambassades aan de bestrijding van HIV/Aids van € 40,1 mln. zijn de dírecte uitgaven aan de bestrijding van HIV/Aids in 2005. De omvang van deze uitgaven is aanzienlijk hoger dan de uitgaven in 2004 van € 15,8 mln. Het totale budget van de Nederlandse ambassades voor ontwikkelingssamenwerking blijft de komende jaren ook aanzienlijk stijgen. Ambassades hoeven dus geen andere prioriteiten te laten ten gunste van de bestrijding van HIV/Aids. Het is echter lastig te spreken over additionaliteit aangezien alle uitgaven worden gedaan binnen het budget voor ontwikkelingssamenwerking.
8 De Nederlandse bijdragen aan de WHO zijn niet geoormerkt. Dit vloeit voort uit de met VN-organisaties en gelijkgezinde donoren gemaakte harmonisatieafspraak om zo min mogelijk geoormerkte financieringsmiddelen ter beschikking te stellen. De verplichte contributie is geheel ongebonden. Om uitdrukking te geven aan de Nederlandse beleidsprioriteiten is bij het aangaan van het partnerschapsprogramma met de WHO voor het biënnium 2004–2005 afgesproken dat de gelden in beginsel worden besteed aan HIV/Aids (met inbegrip van reproductieve gezondheid), Tuberculose en Malaria. Het HIV/Aids-aandeel daarvan is ongeveer 30%. Deze zachte oormerking geeft anderzijds de WHO de ruimte om wanneer nodig, adequaat te reageren op veranderende financieringsbehoeften. Tegen deze achtergrond kan ik u geen specificatie geven van de daadwerkelijke bestedingen van de bijdrage aan de WHO. Uit de algemene financiële rapportage van de WHO blijkt dat in 2004 3.6% van het totale budget direct naar HIV/Aids ging. De rapportage geeft echter geen inzicht in de vele indirecte uitgaven aan HIV/Aids.
9 Buiten Afrika wordt bijna 30% van alle nieuwe HIV-infecties veroorzaakt door hergebruik van vuile naalden, in Oost-Europa en Azië kan dat percentage oplopen tot 80. Nederland besteedt in het kader van Aids-bestrijding dan ook veel aandacht aan het debat over «harm reduction», zowel mondiaal als binnen de EU en ontvangt veel missies van landen die komen bekijken wat Nederland aan «harm reduction» binnen ons eigen drugsbeleid doet.
Binnen Europa maak ik mij samen met mijn ambtgenoten van Buitenlandse Zaken en van VWS bijvoorbeeld sterk voor het opnemen van «harm reduction» in verschillende declaraties en werkdocumenten. Zo is onder het Nederlandse EU-voorzitterschap het concept «harm reduction» opgenomen in de door de Nederlandse delegatie opgestelde versie van de nieuwe EU-drugstrategie 2005–2012 en met het aannemen van deze strategie tijdens de ER van december 2004 is «harm reduction» voor het eerst op EU-niveau aanvaard. Vervolgens zijn de raadsconclusies HIV/Aids aangenomen tijdens de gezondheidsraad van 3 juni 2005, waarin de door Nederland voorgestelde tekst over «harm reduction» is opgenomen. Eveneens bij onderhandelingen over andere documenten heeft Nederland een voortrekkersrol gespeeld om «harm reduction» daarin vast te leggen. Voorbeelden zijn de Dublin declaration, de Vilnius declaration en de EU commision working paper «Coordinated and integrated approach to combat HIV/Aids within the European Union and its neighbourhood». Daarnaast heeft de minister van VWS het onderwerp geagendeerd in zijn gesprek met de directeur Walters van de Office of National Drug Control Policies van de Verenigde Staten tijdens zijn bezoek aan Nederland (maart 2005). Ook mondiaal, zoals bijvoorbeeld in de Commission on Narcotic Drugs (CND) van de Verenigde Naties, wordt de discussie niet geschuwd. De EU heeft, mede op aandringen van Nederland, tijdens de 48e sessie van de CND (7–11 maart 2005) in haar interventies gepleit voor een krachtig preventiebeleid, inclusief «harm reduction»-maatregelen. Veel regeringen blijven echter aarzelen of bieden tegenstand. Voorbeelden daarvan waren onder andere te vinden tijdens een in juni 2005 gehouden UNAIDS-bijeenkomst waar het nieuwe preventiebeleid werd besproken. Nederland heeft zich daar evenwel met succes sterk gemaakt voor de opname van «harm reduction» in het preventiebeleid. Op het financiële vlak worden onder meer de Nederlandse organisaties AFEW (AIDS Foundation East West) en Mainline met TMF-financiering ondersteund bij programma’s in Oost-Europa en Azië gericht op «harm reduction» (2005–2009). Tot 2007 financieren we ook het Asian Harm Reduction Network.
De Nederlandse inzet in de regio’s waar het delen van spuiten door druggebruikers de Aids-epidemie aanjaagt (Oost-Europa en Azië) concentreert zich daarnaast vooral op commitment, het vergroten van het politiek en maatschappelijk draagvlak. Zo is Nederland actief betrokken bij drie high level bijeenkomsten over HIV/Aids van ASEM (Asia-Europe Meeting) en heeft de Aids-ambassadeur dit voorjaar tijdens bezoeken aan China en India expliciet aandacht gevraagd voor de problematiek. Ook tijdens de recente reis van minister Hoogervorst naar China werd er aandacht aan besteed.
10 De Nederlandse bilaterale samenwerking levert vooral een indirecte voorwaardenscheppende bijdrage aan de doelstelling «Universal Access to Treatment by 2010» via de versterking van gezondheidssystemen. Een directe bijdrage wordt wel geleverd via de TMF-financiering van de International Dispensary Association (IDA) voor het aanleggen van een buffervoorraad Aids-remmers voor Zuidelijk Afrika. Via de ondersteuning van het Global Fund to fight Aids, Tuberculosis and Malaria (GFATM) levert Nederland een aanzienlijke directe bijdrage. Op basis van de eerste vier
financieringsronden (2002–2004) zullen naar schatting 1,6 miljoen mensen toegang verkrijgen tot behandeling met Aids-remmers. Dit aantal zal sterk toenemen naarmate meer financieringsrondes gelanceerd kunnen worden. Als de replenishment conferentie van het GFATM in september succesvol verloopt zal dit Fonds, mede dankzij de Nederlandse bijdrage, een belangrijk aandeel hebben in het bereiken van de G-8-streefdoelstelling.
De Nederlandse bijdrage aan de ontwikkeling van een Aids-vaccin, en andere nieuwe technologieën voor HIV-preventie, verloopt via de financiële ondersteuning van publiek-private samenwerkingsverbanden op dit gebied, met name het International Aids Vaccine Initiative en het International Partnership on Microbicides. De Nederlandse ondersteuning aan algemene vaccinatieprogramma’s voor kinderen verloopt met name via de Global Alliance for Vaccines and Immunisation (GAVI). Nederland zegde in 2000 een totale bijdrage toe voor de vaccinatiedoelstelling van ongeveer EUR 113 miljoen voor de periode 2001 tot en met 2005. Alleen al in de periode 2001–2003 kregen mede dankzij Nederlandse steun meer dan 70 miljoen kinderen in ontwikkelingslanden toegang tot nieuwe vaccins tegen hepatitis B, Haemophilus Influenza B (Hib) en gele koorts, en konden 670 000 sterfgevallen onder kinderen voorkómen worden.
11 Een van de belangrijkste drijfveren van de Aids-epidemie in Oost-Europa en Azië is het hergebruik van vuile naalden, het aantal nieuwe infecties dat hierdoor veroorzaakt wordt kan in deze regio’s oplopen tot 80 procent. Het Nederlandse beleid voor deze regio’s legt daarom de nadruk op het verbreden en versterken van het draagvlak dat nodig is voor effectieve preventie, waarbij «harm reduction» van groot belang is. Ik verwijs hierbij ook naar de beantwoording van vraag 9.
Daarnaast zet Nederland zich in voor adequate aandacht voor HIV/Aids in de politieke dialoog met de desbetreffende landen, zowel in bilateraal kader als via de EU. Zo werd onder het Nederlands EU-voorzitterschap HIV/Aids met succes opgebracht tijdens de topontmoetingen tussen de EU en respectievelijk India en China en in ASEM-verband. Ook heeft de Aids-ambassadeur dit voorjaar bezoeken aan deze landen gebracht en expliciet aandacht gevraagd voor deze problematiek.
1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer
Terug